Ik was pas 21, ik dacht dat ik doodging
“Mijn hiv-diagnose sloeg in als een bom. Ik was net twintig, had een druk leven: plezier maken met vrienden, vakanties en leuke dingen doen. Hiv? Eerst dacht ik: nou, dat lijkt mij heel sterk, dit klopt niet. Ik wist vrij weinig over hiv. Hoezo overkomt mij dit? Uit ongeloof probeerde ik het weg te stoppen. Ik ging gewoon naar mijn werk en ’s avonds naar een feestje van een vriendin. Daar dronk ik zo enorm veel dat ik in het ziekenhuis belandde. De volgende ochtend werd ik wakker met een kater. Ik heb me mentaal en fysiek nog nooit zo slecht gevoeld. Mijn moeder haalde me op en ik moest haar uitleggen waarom ik zoveel had gedronken. Achteraf was dat misschien een voordeel: als het niet op deze manier verlopen was, had ik het misschien nog wel jarenlang voor mezelf gehouden, nu moest ik het er meteen uitgooien. Terwijl ik mijn roes lag uit te slapen, las mijn moeder zich in over hiv, ook zij wist er niet veel van. Zo kwamen we erachter dat je hiv in de dagelijkse omgang helemaal niet overdraagt. Je kunt prima uit hetzelfde glas kan drinken, elkaar de hand kan schudden, dezelfde handdoeken kan gebruiken en elkaar knuffels kan geven. Het was heel fijn dat mijn moeder moeite deed om over hiv te leren, want zelf dacht ik op dat moment dacht ik nog dat ik dood zou gaan. Het duurde even voordat ik begon te begrijpen dat het allemaal wel meevalt, en dat ik een levensverwachting normale levensverwachting heb. Ik ben niet zielig of ziek.”
